De effectentaks is een jaarlijkse taks van 0,30% op de waarde van aandelenportefeuilles van meer dan één miljoen euro. Dergelijke vermogensbelasting – los van een eventueel rendement – is internationaal eerder uitzonderlijk.
Bepaalde stemmen bepleiten al lang en vurig de invoering van een vermogensbelasting in België, om de sterkste schouders hun eerlijke deel te laten bijdragen. Dat pleidooi gaat echter voorbij aan de vaststelling dat we in België al een verregaande vermogensbelasting kennen, met name de effectentaks. Die taks is zowel van toepassing op natuurlijke personen als op ondernemingen. (zie ‘Fig.1’)

Wat is de effectentaks?
De jaarlijkse taks op de effectenrekeningen (kort: de effectentaks) is een jaarlijkse belasting van 0,30% op de waarde van de effectenportefeuilles die in hun geheel meer bedragen dan één miljoen euro (tot eind 2025 bedroeg het tarief 0,15%). Die belasting is verschuldigd ongeacht of er een rendement of een waardevermeerdering van de portefeuille is. Zelfs wanneer de portefeuille in waarde vermindert, blijft de belasting verschuldigd. Het gaat dus om een pure vermogensbelasting, die losstaat van de vermogenswinst.
Internationale vergelijking
De enige nuance hierbij is dat het niet gaat om een algemene vermogensbelasting, maar enkel slaat op de aandelenportefeuilles aangehouden bij financiële instellingen. Binnen de OESO hebben enkel Noorwegen, Spanje en Zwitserland zo’n algemene vermogensbelasting. Een specifieke vermogensbelasting zoals in België kent men nog in Frankrijk, Italië en Nederland. De overgrote meerderheid van OESO-landen heeft dergelijke vorm van vermogensbelasting dus niet. Mede daardoor hebben volgens de internationale index slechts vijf OESO-landen een minder aantrekkelijk klimaat op het vlak van vermogensbelastingen.
Economische effecten
De focus op één bepaald type vermogensonderdeel (met name de aandelenportefeuilles) heeft natuurlijk een verstorend effect – hoewel we uiteraard geen algemene vermogensbelasting bepleiten. Ze maakt de activa op aandelenportefeuilles – die dus onderworpen zijn aan de effectentaks – minder interessant ten opzichte van andere, vaak vergelijkbare, investeringsvormen. Tegelijk zet de relatief beperkte scope ook de deur open voor methoden om zich uit het toepassingsgebied van de taks te onttrekken, zoals het opdelen van effectenportefueilles (om onder de drempel van één miljoen te blijven) of het omzetten van de effecten naar effecten op naam (die niet worden geviseerd).
NB: De regering-De Wever nam recent enkele maatregelen om dergelijke misbruiken te beperken en zo de dalende opbrengsten uit de effectentaks te keren. In 2024 bedroegen die inkomsten ruim 450 miljoen euro. Dat is vergelijkbaar met de voorspelde opbrengst voor de nieuwe meerwaardebelasting.
