De tarieven van de personenbelasting zijn heel zwaar. Ze behoren bij de hoogste ter wereld, en worden bovendien al bereikt vanaf een gemiddeld inkomensniveau.
Progressieve belasting in schijven
De Belgische personenbelasting is een progressieve belasting die bestaat uit vier schijven. Dat betekent dat het belastingtarief stijgt naarmate het belastbaar inkomen toeneemt: elke inkomensschijf wordt afzonderlijk belast tegen een hoger tarief, waardoor hogere inkomens niet alleen in absolute bedragen, maar ook proportioneel meer belasting betalen dan lagere inkomens.
Voor de inkomsten van 2025, zien de schijven eruit als volgt: zie ‘Fig.1’.

De progressieve mechaniek impliceert dat de eerste 16.320 euro die om het even wie verdient, wordt belast tegen 25%. Enkel de inkomsten die 49.840 euro overstijgen worden belast tegen het toptarief van 50%.
Het inkomen waarmee rekeningen gehouden wordt, is het jaarlijkse brutoloon verminderd met de betaalde werknemersbijdragen en de beroepskosten. Ook de belastingvrije som wordt in rekening gebracht. Zie daarvoor de aparte fiches:‘Socialezekerheidsbijdragen’, ‘Beroepskosten’ en ‘Belastingvrije som’.
De competitiviteit van de personenbelasting
Wanneer het gaat om de beoordeling van de competitiviteit van de personenbelasting, hebben twee zaken een bijzonder belang: het maximale tarief (1) van de belasting en de progressiviteit (2) van de belasting.
Vooraf een aantal begrippen om te verduidelijken waarover we precies spreken:
- Het wettelijke tarief: de klassieke tarieven in de personenbelasting bij elke schijf.
- Het gemiddelde tarief: de belastingdruk als percentage van het totale inkomen.
- Het marginale tarief: het tarief op de volgende euro die zou worden verdiend.
- Progressiviteit: de snelheid waarmee men in de hoogste belastingschrijven beland. Hoe sneller iemand de hoogste schijven bereikt, hoe progressiever het belastingstelsel.
Door het mechanisme van de schijven ligt het gemiddelde tarief dus altijd lager dan het wettelijke tarief, zoals de grafiek in ‘Fig.2’ illustreert.

(1) Het maximale tarief van de personenbelasting
Wat het wettelijke tarief in de personenbelasting betreft behoort ons land tot de ‘top’ van de OESO. Slechts 6 van de 38 OESO-landen hebben een maximaal wettelijk tarief dat hoger ligt dan het Belgische tarief van 52,9%. Dat betekent dat de inkomsten die in de hoogste schijf van de personenbelasting vallen, worden belast tegen dat percentage (inclusief de gemeentelijke opcentiemen). Hoewel dat percentage op zich al bijzonder hoog is, wordt er nog een schepje bovenop gedaan door drie bijkomende elementen:
- De hoogste schijf is het percentage exclusief de werknemersbijdragen die eveneens verschuldigd zijn op het brutoloon en in principe 13,07% bedragen. Wanneer we die in rekening nemen, komen we aan tarieven boven de 60% (zie hiervoor de fiche ‘Socialezekerheidsbijdragen’).
- De hoogste schijf is slechts het wettelijke tarief, de marginale belastingdruk ligt door allerlei factoren vaak nog hoger, bijvoorbeeld door het verlies van de werkbonus (zie hiervoor de fiche ‘Werkloosheidsval en promotieval’).
- Bovenop het brutoloon van de werknemer, wordt ook bij werkgevers bovenop het brutoloon dat zij toekennen nog een werkgeversbijdrage van 25% geheven (zie hiervoor de fiche ‘Loonwig’).
(2) De progressiviteit van de personenbelasting
De hoogte van de tarieven in de Belgische personenbelasting zegt natuurlijk niet alles. De vraag is of we de maximale Belgische belastingtarieven dan kunnen relativeren omdat ze enkel van toepassing zijn op de allerhoogste inkomens?
Helaas niet. In België worden de hoogste inkomenscategorie al bereikt vanaf een inkomen dat gelijk is aan dat van de gemiddelde Belg. Slechts één OESO-land bereikt sneller de hoogste inkomensschijf: Estland. Daar bedraagt het maximale tarief slechts 20%.
Ter referentie: in het gemiddelde OESO-land wordt de hoogste schijf pas bereikt vanaf een inkomen dat bijna zeven keer zo hoog ligt als het gemiddelde loon.
(Zie ‘Fig.3’) Een snelle vergelijking met onze buurlanden maakt beide pijnpunten pijnlijk duidelijk: waar in België het belastbaar tarief al wordt bereikt vanaf een belastbaar inkomen van om en bij de 50.000 euro per jaar, is dat in Frankrijk en Duitsland pas het geval vanaf respectievelijk 177.000 euro en 278.000 euro. Bovendien ligt dat tarief zelfs gevoelig lager dan het Belgische maximumtarief dat al van toepassing is vanaf 50.000 euro.

(3) Resultaat: de hoogste gemiddelde belastingdruk van de OESO
Resultaat: de combinatie van (1) de heel hoge wettelijke tarieven en (2) de sterke progressiviteit van ons belastingstelsel, maakt dat de niemand in de OESO harder belast wordt dan Belgische alleenstaande werknemers. Alleenstaanden met een gemiddeld loon staan maar liefst 39,7% van hun inkomen af aan belastingen en sociale bijdragen, tegenover een OESO-gemiddelde van 25%. Koppels met twee kinderen en een gemiddeld inkomen betalen een goede 34% van hun inkomen.
De percentages klimmen echter snel naarmate het loon stijgt. Zo ligt de gemiddelde belastingdruk voor alleenstaanden met een brutomaandloon van 7.000 euro al dicht bij de 47%.1
Die percentages houden nog geen rekening met de belastingen die worden betaald door de werkgever. Zie daarvoor de fiche ‘Loonwig’.
Noot: bovenstaande tekst beperkt zich tot de basisbeginselen van de Belgische personenbelasting. In de volgende fiches gaan we dieper in op een aantal bijzonderheden die hiervan deel uitmaken of eraan gerelateerd zijn.
(1) Inclusief sociale bijdragen


