De beroepskosten mag u aftrekken van uw belastbare inkomsten. Daarop betaalt u met andere woorden geen belastingen. Ze worden meestal forfaitair bepaald op 30% van het beroepsinkomen, maar er is een plafond van om en bij de 6.000 euro per jaar.
In een vorige fiche bespraken we de ‘Tarieven van de personenbelasting’. Die tarieven worden toegepast op het jaarlijkse brutoloon, verminderd met de sociale bijdragen en de beroepskosten. Met andere woorden: het loon waarop belastingen worden betaald, is niet het volledige brutoloon.
Belastingen op netto-inkomen
Een algemeen principe uit de personenbelasting is dat men wordt belast op zijn netto-beroepsinkomsten. Dat wil zeggen het bruto-inkomen verminderd met de kosten die werden gemaakt om die inkomsten te verwerven. Het gaat dan bijvoorbeeld om vervoerskosten om naar het werk te gaan, of om de kosten voor een opleiding.
Forfaitaire beroepskosten
Om te vermijden dat werknemers elk jaar al hun reële onkosten moeten bijhouden en bewijzen, kunnen ze een forfaitair bedrag inbrengen als beroepskosten. Dat forfait bedraagt 30% van het bruto belastbaar loon, geplafonneerd op 6.070 euro per jaar (inkomsten 2026). Werknemers die in realiteit meer beroepskosten hebben mogen die uiteraard integraal aftrekken, maar zullen dan wel al hun onkosten moeten bewijzen. (zie voorbeeld ‘Fig.1’)

Er is bijgevolg personenbelasting verschuldigd op 46.088 euro, en niet op de volledige 60.000 euro brutojaarloon.
Werknemers kunnen forfaitair 30% van hun brutoloon aftrekken als beroepskosten (max. 6.070 euro).
