Door de fiscaliteit is het verschil tussen werken en niet-werken vaak niet groot genoeg. Voor zij die al werken, wordt een eventuele loonsopslag vaak heel zwaar belast, met soms een marginale belastingdruk van meer dan 80%.
Werkloosheidsval
Hoe groter het deel van het inkomen dat wordt wegbelast, hoe minder aantrekkelijk om een inkomen uit arbeid na te streven. Dat fenomeen staat gekend als de werkloosheidsval.
De impact van de (para)fiscaliteit op de werkloosheidsval is groot. In de andere fiches bespraken we al de heel hoge wettelijke tarieven in de personenbelasting en de uitzonderlijk sterke progressiviteit waardoor mensen al vanaf een gemiddeld inkomen onderhevig zijn aan het maximale tarief van de personenbelasting. Voor lage lonen bestaan er mechanismen om die die werkloosheidsval enigszins te drukken. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de werkbonus, die we al bespraken in de fiche ‘Werkbonus’.
Los van de fiscaliteit zijn er uiteraard nog andere drempels voor de arbeidsmarkt. In de eerste plaats het verlies van sociale voordelen, maar ook extra kosten voor bijvoorbeeld vervoer of kinderopvang maken de stap naar werk vaak groot.
Promotieval
Voor personen die al een inkomen uit arbeid hebben, is de logica enigszins anders. Zij stellen zich de vraag: ‘Stel dat ik loonsverhoging krijg hoeveel houd ik dan netto over?’ Hoe hoger de belasting op de loonsverhoging, hoe minder aantrekkelijk het wordt om meer te verdienen. Dat fenomeen noemen we de promotieval, en is dus gelinkt aan de belastingen die specifiek wegen op de loonsverhoging die wordt nagestreefd.
Het tarief dat van toepassing is op de loonsverhoging noemen we het marginale belastingtarief.
Om alle misverstanden te vermijden: er bestaat geen afzonderlijk tarief voor loonsverhogingen dat afwijkt van de tarieven in de personenbelasting (zie de fiche ‘Tarieven personenbelasting’). Toch zal het marginale tarief altijd hoger liggen dan het gemiddelde tarief. Dat komt doordat onze personenbelasting progressief is. Die progressiviteit betekent dat de eerste euro die wordt verdiend minder zwaar wordt belast dan de laatst verdiende euro (bijvoorbeeld door een loonsverhoging).
Wat zegt de OESO?
Op zowat alle aspecten van de personenbelasting scoort ons land uitzonderlijk slecht. Op het vlak van de loonsverhoging is dat niet anders. Nergens in de OESO worden loonsverhogingen zwaarder belast dan in België, ongeacht het bestaande loonniveau (voor singles zonder kinderen). Wie van 3.000 euro brutoloon stijgt naar 3.001 euro bruto, houdt minder dan 45 cent netto over. Voor wie stijgt van 7.000 naar 7.001 bruto , is dat volgens de OESO slechts 41 cent. (zie ‘Fig.1’)

Het voorbeeld in ‘Fig.1’ houdt nog geen rekening met de bijkomende kost voor de werkgever. Als je een werknemer vandaag 3.000 euro verdient en de werkgever vindt dat zijn werk 100 euro meer waard is, dan houdt de werknemer van de loonstijging van 100 euro – in principe – slechts 32 euro over. Ongeveer 68% van het loon vloeit als kost weg naar belastingen en bijdragen. In geen enkel ander OESO-land doet men slechter.
In werkelijkheid nog somberder?
Wanneer we hierboven poneren dat er ‘in principe’ slechts 32 euro netto overblijft van de 100 euro loonkoststijging, dan is dat omdat de cijfers van de OESO geen rekening houden met alle Belgische bijzonderheden. Dat deed de Hoge Raad voor Financiën wel in haar rapport van oktober 20241. Daarin schetst ze een beeld dat zowaar nog somberder is dan dat van de OESO. Volgens haar gedetailleerde studie – die onder andere rekening houdt met het verlies van een aantal voordelen, zoals de werkbonus – loopt het marginale belastingtarief op tot maar liefst 83%. Dat betekent dat:
- een werknemer die zijn werkgever overtuigt om een loonsverhoging te krijgen van 100 euro, slechts 17 euro netto overhoudt;
- een werkgever die zijn werknemer 100 euro netto-opslag wil geven, zijn loonkosten met ruim 500 euro ziet stijgen.

Bovendien, zo stelt de Raad, zijn dat geen uitzonderingen. Het astronomische percentage geldt momenteel voor maar liefst één op drie voltijdse werknemers. Zelfs voor voltijdse werknemers met het minimumloon, wordt 70% van elke euro extra die ze verdienen wegbelast.
Wanneer een opslag of de bijkomende inkomsten uit een extra dag werken voor 83% wegvloeien naar de overheid, is die extra inspanning voor velen de moeite niet waard. De promotieval zet daarom een ‘niet-te-negeren’ rem op de productiviteit van onze werknemers en ondernemingen.
(1) https://hogeraadvanfinancien.be/sites/default/files/publications/hrf_fisc_2024_10.pdf

