In een grensoverschrijdende context behoort de roerende voorheffing op dividenden bij de hoogste van de OESO. We hebben daarentegen een ruim netwerk aan dubbelbelastingverdragen die het nadelige effect daarvan sterk nuanceert.
Investeerders baseren hun beslissingen in belangrijke mate op het rendement dat ze verwachten te halen op hun investering. Het rendement dat daarbij van tel is, is het nettorendement na belastingen dat ze uiteindelijk ontvangen. De fractie van het rendement van hun investering dat via belastingen wordt afgehouden (hierna: de ‘bronheffing’), heeft daardoor een belangrijke invloed op de aantrekkelijkheid van de Belgische ondernemingen voor investeerders. Het bepaalt immers niet alleen waar investeerders hun beschikbare kapitaal investeren, maar ook zelfs of het hen überhaupt interessant lijkt om dat te doen.
Impact op investeringsbeslissingen
Ook vennootschappen erkennen die realiteit, en houden daarmee rekening voor hun investeringsbeslissingen. Ze beseffen immers dat hun eigen onderneming minder interessant wordt voor investeerders wanneer ze zich vestigen in een land met een hoge belasting op kapitaaluitkeringen. Daarnaast zal een vennootschap een nieuw filiaal waarschijnlijk ook niet oprichten in een land waar een groot deel van de winst ‘blijft plakken’.
Om even aantrekkelijk te zijn voor investeerders, moeten ondernemingen uit landen met een hoge bronheffing meer kapitaal uitkeren dan ondernemingen uit landen met een lage bronheffing. Dat om te compenseren voor de hogere belastingdruk. Die hogere uitkering vermindert uiteraard de middelen die de onderneming ter beschikking heeft om haar activiteiten verder uit te bouwen.
Het standaardtarief voor de roerende voorheffing in grensoverschrijdende situaties is internationaal gezien heel hoog. Slechts drie landen hebben een hoger tarief dan België.

Nuance: vrijstellingen via verdragen
Een belangrijke nuance hierbij zijn de relatief ruime vrijstellingen die we in België kennen voor dividenden die worden uitgekeerd naar het buitenland. Daarvoor kunnen Belgische ondernemingen immers weer rekenen op het brede netwerk aan dubbelbelastingverdragen (zie hiervoor ook ‘Dubbelbelastingverdragen’). De vrijstelling van roerende voorheffing op dividenden naar andere Europese landen op grond van de Moeder-Dochterrichtlijn, wordt door België immers uitgebreid naar alle landen waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten. Dat zorgt ervoor dat buitenlandse investeerders uit die landen vaak geen of een verminderde Belgische roerende voorheffing hoeven te vrezen op de dividenden die ze ontvangen.
