De loonwig in België is uitzonderlijk hoog. Ze klimt snel richting 60% en steekt daarmee alle OESO-landen voorbij.
In de vorige fiches bespraken we de manier waarop de beroepsinkomsten worden belast in de personenbelasting en hoe ze bijdragen voor de sociale zekerheid. Zo stelden we vast dat alleenstaanden met een degelijk inkomen gemiddeld al snel 47% van hun totale loon afstaan. De belasting die door de werknemer wordt gedragen, vertelt echter niet het hele verhaal. Zoals we eerder bespraken bij de Socialezekerheidsbijdragen, betalen werkgevers ook nog sociale zekerheidsbijdragen bovenop het brutoloon. De totale kosten voor het loon van de werknemer (hierna: de loonkost), bedragen daarom in principe 125% van het brutoloon.
Wat is de loonwig?
De loonwig drukt het verschil uit tussen de totale loonkost van de werkgever, en het uiteindelijke nettoloon in de beurs van de werknemer. Het gaat met andere woorden over de totale belasting die werknemer en werkgever samen betalen als gevolg van hun arbeidsrelatie. Het vereenvoudigd voorbeeld in ‘Fig.1’ helpt dat verduidelijken.

Het is duidelijk dat dit scenario bij uitstek het domein is waar de competitiviteit van onze loonkosten én de opportuniteit voor het creëren van jobs worden bepaald. Hoe meer het de werkgever kost om een werknemer een degelijk loon te bieden, hoe kleiner de kans dat hij dat in België zal blijven doen. Net hier doen we het in België het slechtst van al. (zie ‘Fig.2’)

België als slechtste leerling
Voor een werkgever in België die een alleenstaande werknemer een gemiddeld loon wil bieden, ligt de kost al meer dan twee keer zo hoog als wat de werknemer daar uiteindelijk van overhoudt. Het verschil tussen loonkost en nettoloon bedraagt 53%. Nergens in de OESO is dat meer, en zelfs de achterstand op onze eerste volger Italië bedraagt meer dan 5%.
Dat percentage blijft stijgen naarmate het loon toeneemt. Ter illustratie: een werknemer die 4.000 euro netto verdient, kost zijn werkgever bijna 10.000 euro (loonwig van 59,5%).
Verschillen tussen gezinssituaties
De situatie is nergens zo flagrant als bij alleenstaanden. Dat neemt echter niet weg dat het onderscheid tussen loonkost en nettoloon ook bij andere gezinssamenstellingen vaak bijzonder groot is. Dankzij een aantal maatregelen voor lagere lonen wordt de schade daar vaak nog relatief beperkt. Echter, van zodra de lonen enigszins boven het gemiddelde klimmen is ons land steevast de slechts van de klas, ongeacht de samenstelling van het gezin. Ook bij tweeverdieners met meerdere kinderen ten laste klimt de loonwig vanaf bepaalde loonniveaus richting de 60%.
Tot slot: loonwig en opslag
De loonwig laat zich dus definiëren als de totale belasting die werknemer en werkgever samen betalen op elke euro die de werknemer verdient. De wig houdt dus ook rekening met de eerste inkomstenschijven van de werknemer, die laagbelast zijn. Werknemers die opslag krijgen, zullen op die extra euro bijgevolg nog zwaarder worden belast dan de percentages die we tot hiertoe zagen. Meer daarover in de fiche ‘Werkloosheidsval en promotieval’.

