De meerwaardebelasting is een belasting op de meerwaarden op bepaalde financiële activa opgebouwd na 1 januari 2026. Ze bedraagt in principe 10% van de gerealiseerde meerwaarde, maar er zijn vrijstellingen voor de eerste schijf en voor ondernemers met een grote participatie.
De meerwaardebelasting is een recente, veelbesproken en felbevochten toevoeging aan het Belgische fiscale landschap. Ze is een van de meest symbolische maatregelen van de regering-De Wever. Terecht, want die nieuwe belasting komt boven op een fiscaal arsenaal dat al zwaar en complex is. Die belasting leidt al sinds jaar en dag tot gepolariseerde standpunten, maar heeft uiteindelijk toch haar intrede gemaakt in de Belgische fiscaliteit voor meerwaarden opgebouwd vanaf 1 januari 2026.
Ruim toepassingsgebied
De nieuwe meerwaardebelasting gaat over een belasting van de meerwaarden op financiële activa in de personenbelasting. Ze wordt dus betaalt door de ondernemers en investeerders die de aandelen van ondernemingen bezitten. Wat vennootschappen betreft zijn alle inkomsten – inclusief de meerwaarden op aandelen – in principe belastbaar tegen het tarief van 25%. Voor hen bestaat er echter ook een relatief ruime vrijstelling voor grote participaties (zie de fiche over de meerwaardebelasting in de vennootschapsbelasting ‘Meerwaarden op aandelen’).
Ruim toepassingsgebied
De meerwaardebelasting is meer dan een belasting op aandelen. Vier categorieën van financiële activa worden geviseerd:
- Financiële instrumenten: de eerder klassieke instrumenten, zoals aandelen en obligaties;
- Verzekeringscontracten: waarvan de takken 21 (spaarverzekering) en 23 (beleggingsverzekering) het best zijn gekend;
- Cryptoactiva;
- Valuta.
Twee onderscheiden regimes
Het regeerakkoord van de regering-De Wever maakt een onderscheid tussen twee regimes.
- Het algemene regime: een aanslagvoet van 10%, toegepast op elk bedrag boven de vrijstelling van 10.000 euro. Het gaat om een jaarlijkse vrijstelling die wordt verhoogd met 1.000 euro voor elk van de van de vijf voorgaande jaren waarin de vrijstelling niet (volledig) werd gebruikt. Voor wie bijvoorbeeld een (grote) uitzonderlijke meerwaarde realiseert, kan de vrijstelling dus tot 15.000 euro bedragen. Maar wie elk jaar meerwaarden realiseert zal telkens maar 10.000 euro kunnen vrijstellen.
- Het regime van de ‘aanmerkelijke belangen’: bij deelneming van meer dan 20% zijn de meerwaarden tot een miljoen vrijgesteld, waarna een progressieve aanslagvoet van 1,25% tot 10% wordt toegepast tot aan het bedrag van tien miljoen euro. Alles boven de tien miljoen euro wordt met andere woorden belast aan het gewone tarief van 10%. Die vrijstelling kan elke vijf jaar één keer worden gebruikt.
- Er is ook nog een derde regime dat van toepassing is op de zogeheten interne meerwaarden, met name de overdracht (verkoop of inbreng) van aandelen aan een holding van dezelfde aandeelhouder. In dat geval geldt het ‘speculatieve’ regime met een aanslagvoet van 33% die vandaag al van toepassing is op verrichtingen buiten het ‘normale beheer’.
Over de nieuwe meerwaardebelasting valt ongetwijfeld nog veel meer te zeggen, maar dat zou ons te ver leiden voor deze barometer. De nieuwe meerwaardebelasting op aandelen is bovendien zeker niet de enige meerwaardebelasting in onze fiscaliteit. Daarover leest u meer in de fiche ‘Belasting van andere meerwaarden’.