Dividenden die een onderneming ontvangt, zijn doorgaans belastbaar in de vennootschapsbelasting. Daarentegen worden ze doorgaans vrijgesteld wanneer de participatie voldoende groot is. Het DBI-regime voorkomt zo een cascade van belastingen op dezelfde winsten.
Dividenden en dubbele belasting
Een belangrijk element voor de (on)aantrekkelijkheid van een vennootschapsbelasting is de manier waarop ze omgaat met de dividenden die een vennootschap ontvangt.
De dividenden die een vennootschap ontvangt zijn uitkeringen van winsten die worden gemaakt op het niveau van haar dochter. Die winsten zijn dus – in principe – al onderworpen aan een vennootschapsbelasting bij die dochter. Wanneer de ontvangen dividenden opnieuw zouden worden belast bij de moedervennootschap die ze ontvangt, ontstaat er een cascade van belastingen op dezelfde oorspronkelijke winst. (zie ‘Fig.1’)

Het DBI-regime
Om dat te vermijden kennen we in België het stelsel van de Definitief Belaste Inkomsten (‘het DBI-regime’). Dat regime stelt de dividenden die een moedervennootschap ontvangt van haar dochtervennootschap vrij van vennootschapsbelasting – onder bepaalde strikte voorwaarden.
De vrijstelling van dergelijke inkomsten wordt verplicht door de Europese Moeder-Dochterrichtlijn en geldt dus in alle Europese landen. Toch bestaan er belangrijke verschillen tussen de landen en de manier waarop de vrijstelling wordt vormgegeven, kan belangrijke financiële en operationele verschillen met zich meebrengen. België doet het op dat vlak niet uitstekend. Het optrekken van de vrijstelling sinds een aantal jaar tot 100% (vroeger was dat 95%, een tarief dat nog altijd geldt in een aantal andere Europese landen) was een belangrijke stap in de goede richting, maar de toepassingsvoorwaarden blijven stroever dan in veel van onze buurlanden.
Voorwaarden voor de vrijstelling
De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te kunnen gebruikmaken van de vrijstelling zijn de volgende:
- Een participatievoorwaarde: de dividenden moeten voortvloeien uit een vennootschap waarvan de ontvanger minstens 10% van de aandelen bezit; of waarvan de aanschaffingswaarde minstens 2.500.000 euro bedraagt en die het karakter van ‘financiëel vast actief’ hebben.
- Een taxatievoorwaarde: de meerwaarden moeten voortvloeien uit een vennootschap die zelf onderworpen is aan een vennootschapsbelasting van een zeker niveau.
- Een minimale detentieperiode van één jaar.
De participatievoorwaarde zorgt ervoor dat enkel vennootschappen die voldoende met elkaar verbonden zijn, kunnen gebruikmaken van de vrijstelling. Dividenden die de vennootschap ontvangt uit aandelen die ze aanhoudt als eenvoudige belegging zonder significante economische of operationele verbondenheid, worden met andere woorden wel belast aan het normale tarief van de vennootschapsbelasting.
De taxatievoorwaarde zorgt ervoor dat enkel winsten die daadwerkelijk al (voldoende) zijn belast bij de dochtervennootschap worden vrijgesteld. Is dat niet het geval, dan is er immers geen risico op dubbele belasting.
Technische werking van het Belgische systeem
Het nadeel van het Belgische regime zit grotendeels in de fiscaaltechnische toepassing van de vrijstelling. Zonder al te veel in detail te treden, komt het erop neer dat veel landen de inkomende dividenden meteen volledig vrijstellen bij binnenkomst (a priori), terwijl ze in België eerst worden toegevoegd aan de belastbare basis en er nadien weer van worden afgetrokken (ex post). Dat heeft een aantal technische, maar belangrijke nadelen.
NB: Een belangrijke kanttekening daarbij is dat de huidige regering De Wever het voornemen heeft om hieraan tegemoet te komen en het stelsel om te vormen naar een a priori vrijstelling.
Noot: bovenstaande info is een sterke vereenvoudiging van de juridische realiteit, maar legt de algemene logica van het systeem uit
